Biografie

Jacob Jan Cremer, Nederlands prozaschrijver en kunstschilder, werd op 1 september 1827 geboren te Arnhem. Hij is op 5 juni 1880 te Den Haag overleden.

Hij stamde uit een welgestelde en kunstzinnige familie. Hij toonde reeds vroeg talent voor tekenen, voordracht en toneel. Opgeleid voor schilder, ging hij zich echter wijden aan de literatuur. Op zijn tiende jaar ging hij naar de kostschool 'Het Hemeldal' te Oosterbeek. Hij verbleef daar vijf jaar en kreeg daarna onderwijs van een gouverneur. In 1844 werd hij leerling van de Oosterbeekse schilder F.H. Hendriks.

In 1846 exposeerde hij zijn eerste werk in Nijmegen en Amsterdam.

In 1847 vertrekt hij voor korte tijd naar Den Haag, waar hij zich voor een jaar inschrijft bij de Haagsche teekenacademie.

Vanaf 1849 exposeerde hij lange tijd jaarlijks op de Tentoonstelling van levende meesters in Den Haag en Amsterdam.

In 1850 sterft zijn broer Alexander op jeugdige leeftijd.

Na zijn huwelijk met Johanette Louise Brouerius op 15 mei 1852 vestigde hij zich te Loenen aan de Vecht. Cremer krijgt met zijn vrouw drie dochters en een zoon. Twee van zijn kinderen overlijden al vroeg. Een in Loenen en een in Den Haag.

21 maart 1853: geboorte van een dochter.

Na enige jaren geschilderd te hebben, legde hij zich vervolgens toe op het schrijven van novellen, romans en toneelstukken. Zijn eerste historische roman De lelie van 's-Gravenhage (1851) werd een mislukking, evenals de Dickensiaanse roman Daniël Sils (2 dln., 1856).

In 1854 komt de aankondiging dat Cremer zal gaan meewerken aan het tijdschrift De regenboog.

Een winternacht verschijnt in januari 1854 (ter leniging van de noden van de armen).

Vanaf 1856 publiceert hij enige jaren in het tijdschrift Nederland. Uitgegeven door Loman in Amsterdam.

Vanaf 5 februari 1857 verschijnt in de Oostpost als feuilleton De Fransche komiek en de douairiere. In de maanden daarna volgen nog feuilletons met De victorine en Deine-Meu.

Op 22 maart 1857 wordt zijn zoon Alexander Lodwijk geboren. Alexander overlijd echter reeds op 7 juli 1857 in Den Haag.

Tijdens de 91e vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde op 18 juni 1857 te Leiden wordt Cremer verkozen tot lid.

Medio mei 1857 verhuist hij weer naar Den Haag.

Broer Jan Hendrik Carel Alexander sterft in Arnhem op 15 juli 1857.

Succes behaalde hij uiteindelijk met de gedeeltelijk in dialect geschreven dorpsvertellingen in de trant van Auerbach, Reuter en Conscience, welk genre hij daarmee in Nederland introduceerde en waarin hij veel navolging vond. Op zijn debuut Wiege-Mie volgden talloze idyllische en vaak moralistische novellen, meestal met Betuwse, later ook met Scheveningse achtergrond. Zijn bekendste romans zijn Anna Rooze, Dokter Helmond en zijn vrouw, en Hanna de Freule. Zijn beroemdste werken zijn echter de Betuwsche en Overbetuwsche novellen en Fabriekskinderen. De novellen spelen zich allen af in het dorp Driel en omgeving. Fabriekskinderen in Leiden. 

In 1858 wordt Cremer een van de redacteuren van het tijdschrift De tijdstroom. Het tijdschrift wordt in Tiel uitgegeven door de wed. D.R. van Wermeskerken. Bij deze uitgever wordt veel van zijn vroege werk uitgegeven,

Cremer behoorde tot de Spectatorclub, en werkte voor de kunstrubriek van het Haagse nieuwsblad Het Vaderland.

De populariteit van Cremer neemt snel toe. Hij wordt een veel gevraagd schrijver. In de loop der jaren publiceert hij onder andere in Aurora, Gelderland, het Humoristisch magazijn, Europa, Nederlandsch magazijn, Na 't werk, Geillustreerd stuiverss-magazijn, de kunstkronijk, De almanak voor het schoone en het goede, Christelijke volks-almanak, Castalia, het humoristisch album, Nederlands bibliotheek, De liefde sticht.

In 1859 ondersteunt hij de oprichting van een kunstvereniging in Den Haag.

Op 17 juli 1859 wordt een dochter geboren.

Cremer was een van de meest succesvolle voordrachtkunstenaars van de 19e eeuw. Hij had een grote voorliefde voor toneel. Dit blijkt met name uit zijn roman Tooneelspelers, en de theaterstukken die hij schreef voor o.a. de opening van de Stadsschouwburg te Arnhem. Cremer kreeg met name van Busken Huet veel kritiek. Huet noemde hem een auteur met 'banketbakkersgaven' 

Cremer was de eerste Nederlandse schrijver die, mede door zijn zakelijk inzicht, kon leven van zijn werken en voordrachten. Zijn werk was zo populair dat hij in 1873 achthonderd gulden voor een novelle kon bedingen. Die populariteit dankte hij overigens mede aan zijn voorleestalenten, waarmee hij dus ook goed verdiende. De voordrachten werden zo goed bezocht dat er in verband met zijn optedenss extra treinen werden ingezet. Bijvoorbeeld van Den Helder naar Alkmaar in 1867.

Cremer gaf met regelmaat een voordracht waarvan de opbrengst ten goede kwam aan een goed doel, zoals het patronaat voor den krankzinnigheid, de kweekschool voor de zeevaart, watersnoodrampen in Gelderland, de bewaarschool aan de Groenesteeg in Leiden, een bewaarschool in Loenen a.d. Vecht, een 'ongelukkig Leids huisgezin", een inrichting voor hulpbehoevenden blinden, cholera-slachtoffers, het Rode kruis.

Overzicht van voordrachten in 1859, 1860, 1861, 1862, 1863,1864, 1865, 1866, 1867 1868 1869, 1870, 1871 

In de jaren '60 worden zijn novellen veelvuldig door ook anderen voorgelezen.

Cremer werd gezien als een volksschrijver. Hij schreef echter zeker niet voor alle lagen van de bevolking. In de novelle 'De regte Jacob' schrijft hij o.a. over een boerengezin: 'met wat ruwer handen, maar anders al tamelijk als gij, minnende lezers of lezeressen', waardoor hij laat zien dat hij graag over Betuwse boeren schrijft, maar zeker niet de bedoeling heeft voor de boeren te schrijven. Hij heeft ze echter, in tegenstelling tot veel andere 19e eeuwse auteurs, nooit in het belachelijke geportretteerd.

In juli 1860 wordt Cremer benoemd tot officier in de (Luxemburgse) orde van den Eikenkroon.

Cremer was een groot liefhebber van toneel. Behalve de roman Tooneelspelers schreef hij ook enkele toneelstukken. Met name Emma Berthold was een groot succes. Alleen al in Rotterdam waren er in 1865 in totaal 16 voorstellingen. Voor de bezoekers uit Delft en Den Haag werden extra treinen ingezet. Andere steden waar Emma Berthold in 1865 werd opgevoerd zijn Amsterdam (zeven uitvoeringen), Haarlem, Utrecht.

Boer en Edelman haalde in 1865 zeven voorstellingen in Amsterdam.

In 1868 wordt een werk van Cremer voor het eerst opgenomen in een bloemlezing. Later zal zijn werk nog vele malen in bloemlezingen worden opgenomen. In 1868 is hij een van de commissieleden die het 10e Nederlandsch taal- en letterkundig congres voorbereiden.

1869 is een belangrijk jaar voor Cremer. Hij wordt lid van de Maatschappij Nederlandsche taal en geschiedenis, commissielid van het Toneelverbond, en erelid van Oefening kweekt kennis in Den Haag. In 1871 wordt hij besstuurslid van een commissie die in monument wil oprichten in Brielle.

Cremer is op 5 juni 1880 overleden. Na zijn dood is zijn werk grotendeels in de vergetelheid geraakt. Zijn aanklacht tegen de kinderarbeid "Fabriekskinderen" heeft hem enige historische bekendheid gegeven. Mede dankzij zijn inspanningen werd de kinderarbeid bij wet verboden. 

Zijn werk is nog steeds leesbaar. Voor mensen met belangstelling voor het Betuws dialect zijn zijn novellen, ondanks de niet geheel correcte weergave, de moeite waard om te lezen. Maatschappelijke bewogenheid spreekt uit de romans Anna Rooze (3 dln., 1868; over rechtstoestanden) en Tooneelspelers (1875). Zijn voordracht uit 1863, Fabriekskinderen, en zijn persoonlijke bemoeiingen (o.a. bij Thorbecke) hebben geleid tot een begin van wetgeving tegen de kinderarbeid. Cremer was een uitstekend verteller doch een oppervlakkig psycholoog, wiens roem na zijn dood uiteindelijk snel afnam.

De afgelopen jaren is Cremer weer volop in de belangstelling vanwege zijn stellingname tegen kinderarbeid. Hij is bijvoorbeeld opgenomen in de Historische canon van Leiden.

In 2015 is de novelle Kees Springer in en buiten de kerk opgenomen in de nieuwe canon van de Leeslijst (Nina Geerdink, Jos Joosten, Johan Oosterman (red.) - De leeslijst. Vantilt, Nijmegen.

Zijn graf op het Gemeentelijk kerkhof te Den Haag is medio 1992 geruimd.